Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!

Uit de serie: ‘De fotograaf en zijn camera’
‘IK PRÁÁT TEGEN DAT DING’

ANJA DE JONG 1957 Geboren in Scheveningen 1976 1981 Academie van Beeldende Kunsten te Rotterdam 1981 nu Beeldend kunstenaar en fotograaf 1989 nu Docent Autonome Fotografie, Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, Den Haag

GROOTBEELDCAMERA De Cambo Wide 4X5 is een compacte, makkelijk draagbare camera. Het ontwerp, afkomstig uit de jaren zestig, is simpel: een lens op een vierkante basis die aan de achterkant is voorzien van glas. Daartussen worden de cassettes met negatieven geschoven. De camera werd speciaal ontworpen voor architectuur- en landschapsfotografen vanwege zijn groothoeklens. Cambo werd opgericht in 1947 in het Nederlandse Kampen. Het bedrijf claimt de eerste fabrikant te zijn die een grootbeeldcamera ontwierp die helemaal uit metaal bestond.

‘Ik moet mijn camera kunnen slopen. Ik moet alle onderdelen kunnen losschroeven en schoonmaken, gewoon met een blazertje en een oude zakdoek. En daarna moet hem weer in elkaar kunnen zetten. Met deze camera kan dat allemaal.’

Maak kennis met de Cambo Wide, de grootbeeldcamera met groothoeklens van fotograaf Anja de Jong. Sinds 1990. Je zou het niet zeggen, zo bescheiden als hij erbij staat, maar dit ding is een keiharde. Doorstaat zandstormen, rukwinden en extreme kou, doet altijd wat De Jong van hem verwacht: plaatjes schieten op het moment dat zij dat nodig vindt. ‘Zie ik een gaatje in de lucht, dan ren ik ernaartoe en hop – dan moet-ie het dóen.’

Ook het gewicht telt dus mee, in verband met dat rennen. Geen technische camera voor Anja de Jong; met al die wendbare balgen tussen lens en matglas zou die veel te zwaar zijn. Bovendien heeft zij die duikelende lens niet nodig voor haar foto’s.

‘Het enige verstelbare op mijn camera, is dat ik de lens een klein stukje naar links of naar rechts kan schuiven. Handig voor wanneer er een lantaarnpaal in de weg staat op de plek waar ik wil fotograferen. Maar op mijn reizen kom ik geen lantaarnpalen tegen.’

Op dit moment is Anja de Jong uit Dordrecht niet op reis. Tenminste, ze bevindt zich niet op het ijskoude Antarctica, het hoge La Palma, of in de veranderlijke woestijn van Chili. Ze zit een paar maanden in Berlijn. Daar probeert ze ondermeer het werken met een digitale camera onder de knie te krijgen. En dat valt nog niet mee, zegt ze.

‘Eigenlijk vind ik digitaal fotograferen vreselijk. Je klikt maar door, de hele dag. En dat lijkt dan allemaal heel simpel, maar vervolgens zit je wel úren achter de computer om alles te selecteren. Analoog fotograferen heeft een vrolijke concentratie, waar ik gelukkig van word. Het heeft te maken met beleving, met ergens zijn, met observeren. Maar ik vond dat ik het digitale traject ook moest leren kennen, alleen al omdat ik lesgeef.’

En ach, uiteindelijk heeft het ook wel wat, dat snelle plaatjes schieten. Niet voor niets is ze van plan om in haar nieuwste project (over Berlijn) digitale en analoge fotografie te vermengen. Alleen vindt De Jong dat dat vluchtige van digitaal fotograferen dan wel een duidelijke functie moet hebben. De foto’s die ze vorig jaar in Chili nam met de digitale camera zijn vanuit de auto gemaakt, de landschappen, dezelfde die ze ook analoog en in zwart-wit vastlegde, zijn omlijst door carrosserie.

‘Hier gaat het om wat het betekent om op reis te zijn, om snel van de ene plek naar de andere te gaan, en hoe je het landschap dan ervaart.’

Een ervaring die fundamenteel anders is dan wanneer ze fotografeert met haar grootbeeldcamera. Dan. Gaat. Alles. Namelijk. Heel. Langzaam. Dan is ze eindeloos op zoek naar de juiste locaties, lege, weidse plekken waar menselijke sporen vaak uiterst subtiel aanwezig zijn in het oeroude landschap. Als ze die ene plek heeft gevonden, schuifelt ze daar ‘als een idioot’ voetje voor voetje rond tot ze ‘iets’ heeft.

Vervolgens zet ze haar statief neer, plaatst haar kin erop ‘om te zien wat mijn camera gaat zien’. Met een losse belichtingsmeter belicht ze de situatie. ‘En dán pas zet ik de camera op het statief en bepaal ik de uitsnede, die ik meestal al wel precies in mijn hoofd heb zitten. Na al die jaren kijk ik precies als mijn camera’.

‘Dat lange wachten dat bij zo’n camera hoort, is belangrijk voor mij. Ik ervaar op die manier goed wat ik vastleg. Ik voel de wind, de temperatuur. Ik zie de dieren die er wonen, en die pas tevoorschijn komen wanneer je lange tijd stilstaat. Dat is essentieel, je wordt onderdeel van het landschap.’

Het resultaat zijn indrukwekkende zwart-wit beelden van uitgestorven en onherbergzame gebieden, waarin de mens slechts een detail is. Maar waar precies is dat lange wachten, die stille concentratie, in het uiteindelijk overgebleven beeld terug te vinden?

‘Ik denk dat je dat terugziet in de zorgvuldige manier van de dingen hun plek geven op de foto. In de kadrering, de manier van belichten die ervoor zorgen dat mijn beelden niet te documentair, te momentgevoelig worden.’

Een ander aspect van de grootbeeldcamera, het formaat van de film, is eveneens van belang. Voor het zichtbare, maar ook voor het inhoudelijke aspect van haar werk. Vier bij vijf inch meten de negatieven die per twee in een cassette zitten. Ze zorgen voor de kleine, maar belangrijke details die te zien zijn op de foto’s van Anja de Jong, zoals de vage bergen op de achtergrond van Water in the End, gemaakt in de Atacama-woestijn in Chili.

Ze zorgen ook voor de zichtbaarheid van verschillende structuren en materialen in het landschap, voor de aanwezigheid van rotsen, zand, gras, stenen. ‘Met een digitale camera kun je zoveel structuur en vooral dat gevoel van diepte nooit vangen – ja, of je moet wel een hele dure camera kopen.’

De Jong drukt haar foto’s zelf af in de donkere kamer om die details zorgvuldig te bewaken. En laat bij het retoucheren dan vaak de kleine opvallendheden zitten die ze bij digitale retouche vast en zeker had weggehaald. Kleine, oplichtende steentjes bijvoorbeeld. ‘Die hadden Photoshop niet overleefd. Ik had op de computer elke ruis weggehaald, tot in het idiote. Maar dan was ik het geheel vergeten.’

Nu laat Anja de Jong die steentjes lekker liggen. Want ze mag digitaal fotograferen dan zien als een ‘uitdaging’ en een ‘nieuw traject’, bij het statische van de grootbeeldcamera ligt haar hart. ‘Hij heeft een grote emotionele waarde’, zegt ze. ‘Ik práát tegen dat ding, dat doe ik niet met mijn digitale camera.’

Copyright: Bem, Merel